Veemarkt op donderdag

Vandaag sluiten we onze reeks #tongerenindefifties af met een verhaal van Ludo Severijns over de veemarkt op donderdag:

‘Van ’s morgens vroeg bij het krieken van de dag brachten de boeren hun vee reeds naar de koemarkt, onderaan in de Maastrichterstraat.
Velen brachten hun koebeesten te voet naar de markt. Anderen, die van verder kwamen, hadden hun koeien en kalveren op een wagen staan, getrokken door één of twee paarden. Onderaan in de Viaductstraat (nu Jaminéstraat) was een veehandelaar gevestigd. Van daar uit werden ook koeien en kalveren aangevoerd.

Van bij ons thuis op de Leopoldwal zagen we hoe het vee, in een kudde van 20 à 30 koeien, over de wal gedreven werden richting het slachthuis. Hier waren het nodige aantal veedrijvers bij om de kudde samen te houden.
De dieren waren erg onrustig door de ongewone omstandigheden en het gebeurde meer dan eens dat een koe ontsnapte naar één van de tuinen van de Leopoldwal.
Wat een gedrum moet dat geweest zijn in de kleine straatjes van het begijnhof, tot bij het slachthuis (nu jeugdherberg ‘Begeinhof’).

Wij, kwajongens, gingen terwijl de veemarkt bezig was, aan de boeren die dikke sigaren rookten, vragen om het sigarenbandje voor onze verzameling, die we dan plakten in een schrift.’

#1950 #veemarkt

Advertenties

Basilica

In mei 1958 wordt voor de eerste keer een internationaal orgel-, beiaard- en concertfestival gehouden. Dit was het startmoment van het Basilicafestival dat in 2008 zijn vijftig jarig bestaan vierde en nu bestaat als B-Classic.

Voorloper van het initiatief in 1958 waren de orgel- en beiaardconcerten die vanaf begin jaren 1950 waren gegeven. Voor deze editie werd er provinciale en nationale steun verkregen : de provincie Limburg, de provinciale vereniging voor de Wereldtentoonstelling, Studio Hasselt, het radio-orkest van Brussel en het ministerie van onderwijs.

Het orgel en de beiaard, die beiden wijd bekend zijn, blijven publiekstrekkers. Vooral het orgel werd in de kijker gezet omdat het pas gerestaureerd was. Maar bedoeling is ook om het meer dan 1.000 jaar oude (religieuze) muziekleven in en rond de basiliek in de verf te zetten.

Er werden muzikanten gezocht in Frankrijk en Duitsland, van diverse conservatoria, verbonden aan kathedralen, beiaardscholen en muziekinstellingen.

De concerten liepen van 22 mei tot 9 oktober en hadden een groot succes.

#1958

Sinterklaas

Sinterklaas kwam al enkele dagen voor zijn feest snoepjes gooien na schooltijd. Dan zaten wij op de rand van de keukentafel, de voetjes op een stoel. We zongen alle sinterklaasliedjes die we kenden.

Vol spanning wachtten we af welke deur van de kamer op een spleet zou open gaan. En dan gebeurde het toch nog onverwacht : de snoepjes en nik-nakjes vlogen door de keuken. We hadden een glimp van een witte handschoen gezien. We sprongen op de grond en gingen gretig al dat lekkers oprapen. Dat werd dan eerlijk verdeeld.

Er was ook eens een radio-uitzending over Sinterklaas. De radio stond op een kast naast de deur. Plots vloog er een appel de keuken binnen. Met mijn kinderlijke fantasie had ik de appel uit de radio zien komen….

De vooravond van Sinterklaas ging er een Sinterklaasstoet door de stad. De harmonie van Concordia voorop. Daarachter kwam Sinterklaas, gezeten op een groot wit paard. Het paard werd geleid aan de toom door de hoofdpiet van de Sint. Die noemden wij : Hans kroef (kroef = rugbult in het Tongers) Langs de huizen liepen de hulppieten. Die troefden de “stoute kinderen” af met een opgeblazen varkensblaas.

Achter de Sint op zijn paard volgde een grote wagen, getrokken door een paard. Door vrijwilligers werden dozen of zakken met snoep, koekjes, fruit en andere geschenken opgehaald bij de burgers, vooral bij de bakkers en snoepwinkels. Die schenkingen dienden voor de weeskinderen en arme kinderen van de stad.

#1950 #Sinterklaas

Winters in de jaren vijftig

Een verhaal van Ludo Severijns:

‘In de jaren vijftig waren de winters veel strenger met meer sneeuw ; en ze duurden ook veel langer (althans is dat de herinnering eraan). ‘s Morgens, als we opstonden, waren de ruiten van onze slaapkamer bedekt met ijsbloemen. De vriezeman had er de mooiste figuren in ijskristallen op geschilderd. Sommige ijsfiguren leken wel op varens. Zouden de kinderen van tegenwoordig dat nog kennen ?

Als we beneden kwamen, waar de Leuvense stoof reeds brandde in de keuken, was ons eerste werk : door het raam gaan kijken of de sneeuw nog lag. Als we vrijaf hadden gingen we naar de vijvers van Betho, of Rooi of Hamal. Dat gebeurde in groepjes en we hadden veel pret onderweg, want het was toch wel ’n hele tocht. Ik sta er nu nog altijd versteld van als ik toevallig met de auto voorbij de dreef van Hamal rijd, dat het zo ver was. En dan moesten we nog die lange dreef door voor we aan de vijver kwamen. Maar al zingend en fluitend en spelend viel die afstand zo niet op. In de winter was er soms op Broekberg geen verkeer. Daar krioelde het van de wintersleden. We hadden twee sleden achter mekaar gebonden. Wie vooraan zat op de tweede slede, hield de voorste slede met zijn handen goed vast en kon zo het “tweespan” besturen. Zo deden we ook van bovenaan de Elisabethwal, kant Kruisstraat tot beneden aan de Velinxtoren. Als we dan thuis kwamen, waren onze handen en voeten verkleumd van de koude. Vaak was het vel op onze handen en boven onze knieën werkelijk opengesprongen van de vrieskou. (opgekip noemden we dat).

Dan maar gauw rond de Leuvense kachel gaan zitten, onze voeten op de voet van de stoof. Maar de hitte van de roodgloeiende bol stak al gauw zo hard in onze handen en benen, dat we er niet langer konden zitten blijven. Als we gingen slapen kregen we een strijkijzer mee uit de oven van de stoof en in een doek gewikkeld. Dat legden we in bed aan onze voeten.’

# 1950 # winter

Vissen

In de jaren vijftig was het nog heel gewoon om te gaan vissen aan de Oude Jeker langs de Neremweg, ’t aad Jekkerke on Neeremboan. Jongens gebruikten emmertjes of blikken dozen en een visnetje. Het water was nog heel klaar en je kon de bodem goed zien. Ganse scholen stekelbaarsjes (stiekelingskes) van een paar centimeter groot zwommen er. Als je daar met een visnet doorging, had je er meteen een tiental gevangen. Voor de kikkervisjes (de dikkupkes of moorekupkes) moest je behendiger zijn want die waren heel wat vlugger. Af en toe konden de jongens ook een salamander vangen of een jonge katvis met snorharen (ne lepper). De dappersten gingen op blote voeten in het water, met het risico bloedzuigers op de voeten en benen te krijgen. Van de libellen of waterjuffers (ne klejjer-snajjer) hadden ze wel schrik want er werden verhaaltjes verteld dat de vleugels kon snijden.

Thuis werd de hele vangst in de emmer gehouden als een eigen aquarium.

#1950

De Jaminéstraat begin jaren vijftig

Het leven op straat was begin jaren vijftig helemaal anders dan nu. Neem bijvoorbeeld de huidige Jaminéstraat, vanaf de Leopoldwal tot aan de brug, toen de Viaductstraat. In de volksmond werd het de kleine Statiestraat genoemd. Bijna elk huis was een handelshuis. Er waren zes à acht cafés die gehouden werden door de huisvrouw terwijl haar man moest gaan werken. Er was een haammaker, twee bakkerijen, een meubelwinkel, een kleermaker, een modiste (voor dameshoeden), twee haarkappers, drie kruideniers, een fruithandel, een loodgieter, een dakwerker, een handel in huishoudartikelen, in landbouwmachines, een snoepwinkel, een schoenwinkel, een veehandelaar, een zaadhandel, een slager en een fotograaf… Iedereen had zo alles bij de hand.

Het verkeer op straat was ook heel anders. Auto’s of vrachtwagens zag men bijna niet. De stoomtram reed er regelmatig voorbij met reizigers en goederen. In de bietentijd was het bijzonder druk, zowel van bietentrams als van boerenkarren en wagens met hun vracht bieten op weg naar het tramdepot aan de Elfde Novemberwal.

Het meeste vervoer gebeurde nog met paard en kar. De bakker deed zijn rond met paard en bakkerskar. Je had een groentenkar, een kolenkar, een petroleumkar voor lampolie, enzovoort. Wekelijks deed de vuilniskar (de drek-kaar) haar ronde. Van sorteren was toen nog geen sprake. In sommige huizen was het toilet nog niet aangesloten op de riolering, maar stond op een beerput. Als die vol was, moest de beerpompwagen (het strontmesjien) van de stad komen. Dikke darmen werden aan mekaar gekoppeld van aan de pompmachine tot in de beerput. Dan moesten twee mannen een wiel met groot handvat draaien. Dat was zwaar werk. Af en toe moesten ze stoppen om weer op adem te komen. Ook de rioolputjes in de straatgoten werden regelmatig door stadswerklieden geledigd met een aangepast schopje met lange steel.

Toen werden zelfs nog trekhonden gebruikt : de hondenkar van de kolenboer voor een kleine bestelling, de scharenslijper met een klein karretje, sommige melkboeren… en de loodgieter uit de straat die een kar liet trekken door twee grote honden. De bakkers deden hun ronde echter met de triporteur (bakkersfiets op drie wielen). Ook de voddenmannen en ophalers van oud ijzer en de verkopers van konijnenvellen gebruikten nog hondenkarren. Dan riepen ze heel luik : ajzer, vodde, knajnevelleeee !

Met dank aan Ludo Severijns voor het verhaal.

#1950

Wereldrecord accordeon

Henri Leuraers, bakker van beroep, verbetert in juni 1954 het wereldrecord accordeonspelen. Hij speelde maar liefst 171 uur en 8 minuten aan één stuk door. Deurwaarder Geuns die de hele tijd aanwezig was, bevestigde het nieuwe record.

De deurwaarder moest Henri Leuraers trouwens zelf naar huis voeren want hij was een beetje “verdwaasd” door de recordpoging. Dokter Bremeesch verklaarde hem echter in goede gezondheid. Met genoeg rust zou hij er snel bovenop komen. Leuraers was als bakker echter goed getraind om lang op te blijven en ’s nachts te werken.

Toen hij thuiskwam – hij woonde buiten Moerenpoort – was er een hele groep nieuwsgierigen verzameld om hem geluk te wensen. De buren wilden meteen overgaan tot een huldiging, maar onze wereldrecordhouder kroop liever zijn bed in…

De accordeon was bijzonder populair in de jaren vijftig en er waren in die periode tal van recordpogingen. Het instrument was de ideale toonzetter voor lokale volksliedjes. Maar het instrument raakte ook populair door Italiaanse immigranten, denk bijvoorbeeld aan “Marina” van Rocco Granata (1959).

# 1954 # wereldrecord

Dokter Merken

In 1951 overlijdt op 78-jarige leeftijd dokter Merken. Hij stond bekend als de “dokter van de armen”. Afkomstig uit Tongeren, vestigde hij zich hier na zijn studies als dokter. Zijn titel van “dokter der armen” kreeg hij toen hij voor het Armbestuur (voorloper OCMW) werkte. Vaak behandelde hij mensen gratis of ging hij met zijn fiets naar de mensen toe die niet bij hem konden geraken.

Hij was bovendien een vooruitstrevend dokter. In 1912 deed hij samen met de Gentse pro-rector de eerste anti-tyfus inenting in Koninksem.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog verving hij kosteloos de hoofddokter van het hospitaal en verzorgde niet enkel Tongenaren en Belgische soldaten, maar ook Duitse en Franse en Russische krijgsgevangenen.

Tussendoor had hij ook het zogenaamde “Werk der Zuigelingen” opgestart, de voorloper van het kinderheil.

De rest van zijn leven stimuleerde hij tal van initiatieven om alle lagen van de bevolking in contact te brengen met de moderne geneeskunde. Hij drong aan op allerlei soorten inentingen en het goed opvolgen van de gezondheid van baby tot schoolganger.

# 1951 # Dokter Merken

Rallyongeluk

Op 28 juni 1953 gebeurde een verschrikkelijk ongeluk tijdens een autorally georganiseerd door Club Ambiorix. Zij organiseerden al verschillende jaren races in Mulken in de buurt van het huidige Pliniuspark. De rallycoureurs Quoidbach en Vanhove kwamen die dag met elkaar in botsing en beide wagens werden in het publiek gekatapulteerd.

Jefke Jans, dertien jaar oud, was op slag dood. Verschillende andere mensen raakten zwaargewond.

Blijkbaar had de Nationale Racefederatie het circuit afgekeurd. Na aanpassingen werd de race toch goedgekeurd. Het proces dat na dit ongeluk volgde duurde meer dan tien jaar alvorens een verantwoordelijke kon aangeduid worden.

# 1953 #ongeluk